Spelregelgeschiedenis

Uit Spelregels voor tafelarbiters

Spelregelversies (zoals die in Nederland, d.w.z. onder de NBB*) gegolden hebben)

De NBB heeft zich altijd volledig geconformeerd aan de regelgeving van het 'hogere' niveau (m.u.v. de 1959-versie). Maar de teksten werden wel vertaald in het Nederlands en daar kunnen onzuiverheden insluipen. Daarom: bij alle confirmaties was (en is) de engelse tekst altijd leidend in geval van ambiguïteit bij vertalingsissues (en dat is nog steeds zo).
Eerdere onzuivere vertaling van de 1975-versie heeft in 1982 geleid tot een verbeterde versie. De primaire reden voor het uitbrengen van deze 1982-versie was veel banaler: de boekjes waren op (net als in 1959), en men meende tegelijkertijd (meer dan 300{!)) verbeteringen in de vertaling kunnen doorvoeren.

Spelregelversie Inhoudsopgave Uitgebracht door / Opmerkingen
Spelregels 2017 Inhoudsopgave 2017 WBF. Samengesteld door WBF-LC met dank aan Portland Club, EBL en ACBL voor hun bijdragen in het verleden
Spelregels 2007 Inhoudsopgave 2007 WBF. Overeengekomen door WBF-LC, Portland Club, EBL en ACBL
Spelregels 1997 Inhoudsopgave 1997 WBF. Overeengekomen door WBF-LC, Portland Club, EBL en ACBL
Spelregels 1987 Inhoudsopgave 1987 WBF. Overeengekomen door WBF-LC, Portland Club, EBL en ACBL
Spelregels 1982 Inhoudsopgave 1982 NBB. Verbeterde vertaling van de 1975-versie; Gèèn internationale versie, maar de boekjes waren op en tevens wilde men verbeteringen in de vertaling doorvoeren
Spelregels 1975 Inhoudsopgave 1975 WBF. Vastgesteld door Portland Club, EBL en ACBL en uitgebracht door WBF
Spelregels 1963 Inhoudsopgave 1963 Portland Club, EBL en ACBL. Overgenomen door de WBF die daarmee ook het eigendomsrecht op de Spr. verwierf
Spelregels 1959 Inhoudsopgave 1959 NBB. Gèèn internationale versie, maar de boekjes waren op en tevens wilde men wijzigingen doorvoeren. De NBB stelde de artikelen 100 t/m 139 buiten gebruik (w.o. dus -ten onrechte- het hoofdstuk betreffende de wedstrijdleider)
Spelregels 1949 Inhoudsopgave 1949 Portland Club, EBL en National Laws Commission of America. De eerste volwassen Duplicate Bridge spelregels. Introductie WL. De spelregelversie is in 1948 tot stand gekomen, maar pas 1949 in het Nederlands vertaald.
Spelregels 1936 Inhoudsopgave 1936 Whist Club (New York), Portland Club (Londen), La commission Francaise du Bridge (Parijs) en de IBL. Deze regels waren nog steeds geënt op robberbridge. De spelregelversie is in 1935 tot stand gekomen, maar pas 1936 in het Nederlands vertaald.
Spelregels 1932 Inhoudsopgave 1932 Portland Club. De eerste internationale spelregels: de IBL (opgericht in 1932) heeft deze regels geadopteerd; deze regels zijn geënt op robberbridge.
Bridge-regels 1930 Inhoudsopgave 1930 NBB. Niets internationaals, maar men moest 'iets' hebben. Vanuit de eerste bondsbladen weten we dat men 'zoekende' was naar betere en internationale geldende regels. Om die toekomstige regels internationaal te krijgen werd de IBL opgericht.

*) De kop is belangrijk - de WBF is pas in 1958 opgericht en in andere zônes hebben tussendoor andere versies gegolden. Niet elke nationale bond is begonnen met de Portland Club Spelregels, niet elke nationale bond had zich in 1958 al aangemeld bij de WBF of was lid van IBL/EBL en communicatie over de spelregels tussen Oost en West ten tijde van de WOII was niet mogelijk. Zo heeft bijv. de LC-ACBL i.s.m. de Whist Club in 1943 een nieuwe 'Internationale' spelregelversie uitgebracht. Maar die gold uiteraard alleen voor hun 'zône', al heette dat toen nog niet zo. Die versie borduurde wel voort op de 1936-versie, welke versie mede geadopteerd was door de Whist Club (NY).

Welke algemene en fundamentele inzichten zijn wanneer in de spelregels terecht gekomen?

Voor de meeste spelers zijn de spelregels een kluwen wol, waar de geroepen WL een draadje uithaalt en dat begint uit te pluizen. Dat is niet zo, maar zo wordt het vaak gevoeld. Wie onderstaande ontwikkeling van de spelregels volgt, begrijpt wellicht beter waar er in het eigen ontwikkelingsproces stappen zijn gemist of overgeslagen. De ontwikkeling van het individu is de geschiedenis van de soort en vice versa.

Spelregel-
versie
Inzicht Waar staat het inzicht in de 2017-versie verwerkt?
1932 "Maar ik deed dat toch niet express?". Talloze malen komt dat 'argument' langs. "Dat is je gerade ook!" is dan het antwoord van de WL, want als je het wèl express deed dan komen er veel strengere maatregelen. De WL gaat er daarom bij voorbaat al van uit dat je het niet express deed. Ergo, dit is het eerste inzicht:
1. De spelregels zijn niet bedoeld voor de bestrijding van oneerlijk spel. Zie de strekking van het reglement in 1932.
Ondertussen weet partner na een onregelmatigheid wel iets extra wat hij niet geweten zou hebben bij een normaal verloop van het spel. Die extra informatie is zgn. ongeoorloofde informatie (OI).
OI ontstaat per definitie altijd per ongeluk (want anders zou het oneerlijk spel zijn en daar zijn de spelregels niet voor bedoeld).
De spelregels trachten het effect van deze OI teniet te doen.
De strofe over oneerlijk spel staat sinds de 1987-versie niet meer in de strekking van de spelregels. Door niet meer expliciet te vermelden waar de spelregels NIET voor bedoeld zijn is deze betekenis impliciet geworden vanaf de 1987-versie. Maar dit zal nieuwelingen die ingevoerd worden in bridgespelregels niet meteen op voorhand duidelijk zijn.

Het rechtzetten, oftewel het vergelijkbaar maken van het spelresultaat met de andere spelresultaten na ontstane OI is nog steeds de belangrijkste doelstelling van de spelregels.

Zie de strekking van de spelregels anno 2017 en zie deze artikelen om te zien hoe er over oneerlijk spel gedacht wordt: 72B1 en 73B2
1932 De spelregels richten zich dus op het rechtzetten van OI. Het is immers buitengewoon lastig te doen alsof je iets niet weet terwijl je het wel weet. De ontstane OI na een onregelmatigheid kun je slecht 'ontweten'. Omdat het duidelijk onsportief zou zijn tòch gebruik te maken van je illegaal vergaarde kennis geldt daarom i.h.a. het inzicht:
2. Van OI mag je ondubbelzinnig geen gebruik van maken, oftewel van OI-gebruik mag je niet eens verdacht kunnen worden.
Je moet a.h.w. tonen dat je de OI niet gebruikt hebt. Zie de strekking van het reglement in 1932.
Dit inzicht zit anno 2017 overal in de spelregels verweven, het sterkst in 16B1a, met name in de formulering van het Logisch Alternatief (LA). Zie ook artikel 73C1.
Nu zijn er in de loop der tijd voor alle 'mechanische' onregelmatigheden (bijv. een gevallen kaart, een onvoldoende bod, bieding voor de beurt etc. rechtzettingsprocedures ontwikkeld om die OI proportioneel te lijf te gaan. Om die mechanische onregelmatigheden op correcte wijze te kunnen afhandelen moet de WL direct geroepen worden, anders is het klaar en er kan achteraf geen straf meer voor worden gevorderd; De per ongeluk ontstane informatie is dan voor beide partijen GI geworden. Dit is het directe gevolg van de latere inzichten 6., 7. en 8.
1932 Omdat je niet eens verdacht van OI-gebruik moet kunnen worden en je d.m.v. conventies wel informatie kan overdragen is het gevolg dat:
3. Eventueel gebruikte conventies, bied- en speel-methoden moeten op tijd bekend gemaakt worden.
Zulks werd in 1932 al ingezien en destijds werden spelers verplicht vooraf, d.m.v. pre-alert, te vertellen welke conventies gehanteerd werden en volgens welke methoden geboden en gespeeld werd. Op die manier was het altijd duidelijk dat de totstandkoming van het eindcontract en/of tegenspel niet gebaseerd is geweest op OI. Zie het toevoegsel van het reglement in 1932.
Omdat conventies steeds verder werden/worden uitgewerkt, is dit principe in de loop der tijd steeds belangrijker geworden.
Nu noemen we dit Full-Disclosure, en de spelregelmakers hebben dit full-disclosure-principe verwerkt in de artikelen 20F, 40A1, 40C1, 75.
Vanwege dezelfde reden is in de loop der tijd het het vraagrecht (1936), de alerteerregeling (1987) en de systeemkaart (1963) in de spelregels terecht gekomen.

En aangezien het gebruik van deze middelen op zichzelf ook weer aanleiding kan zijn tot OI, is het gebruik van deze middelen ook weer strikt gereglementeerd.
1932 Al vanaf het prille begin werd ingezien dat er dusdanige maatregelen genomen moesten worden dat de straf (tegenwoordig spreken we van rechtzetting) proportioneel moest zijn, d.w.z. dat de niet-overtredende partij (NOP) niet meteen de hoofdprijs gegund moet worden.
4. Onregelmatigheden waarbij OI-ontstaat moeten proportioneel afgehandeld worden Zie de strekking van het reglement in 1932.
Proportionaliteit voor diverse onregelmatigheden is minder vanzelfsprekend dan het nu lijkt. In robberbridge was een straf van bijv. een dubbeltje per verzaking vroeger heel normaal.
Deze ontwikkeling gaat voor alle onregelmatigheden tot op de dag van vandaag door. Het sterkst staat dat tegenwoordig in de huidige spelregels geformuleerd in 12B1 bij de definitie van schade voor een AS-bepaling: "Er is schade als een niet-overtredende partij een resultaat behaalt dat door een overtreding slechter is dan het resultaat dat verwacht mocht worden als de overtreding niet had plaatsgevonden." M.a.w. er moet voor een AS een causaal verband zijn tussen onregelmatigheid en slechtere score.
Het is het verschil tussen subsequent (opeenvolgend in de tijd - en dat is het altijd) en consequent (er moet een causaal verband zijn tussen de slechtere score van de NOP en de onregelmatigheid), zie principe 11., wat een nadere uitwerking is van 4.
1936 5. Het spel bestaat uit verschillende tijdvakken, gemarkeerd door handelingen, waarvoor, waarin en waarna rechten en plichten gelden. Ook vandaag de dag wordt hier in de formulering van de afhandeling van de diverse onregelmatigheden scherp op gelet: vanaf, op en tot welk moment zijn er plichten en rechten, en wanneer vervalt een recht. Zie Spelstadia
1949 Het zijn spelregels voor Duplicate Bridge.
6. Bij Duplicate Bridge heeft elk spelresultaat invloed op de score van alle deelnemers. Spelers hebben daarom het morele recht niet onregelmatigheden door de vingers te zien of zelf af te handelen 1).

De gevolginzichten: Er moet een en dezelfde onafhankelijke instantie komen (de WL) die alle onregelmatigheden op dezelfde wijze afhandelt, wat de beste garantie is dat dat steeds op dezelfde manier gebeurt. Gelijkberechtiging is immers het fundament van alle wetgeving.

Dit inzicht (dat elk spelresultaat alle eindresultaten beïnvloedt en dus dat er een WL moet komen) veroorzaakte wel een lawine van extra regels. Want de WL kan het fout doen (ergo er kwam een hoofdstuk over protesten), en de WL heeft te maken met een organiserende instantie (wat een hoofdstuk over de onderlinge verantwoordelijkheidsafbakening noodzakelijk maakt) en last but not least,
7. De WL is passief. Omdat de WL domweg fysiek niet in staat kan zijn overal tegelijk aanwezig te zijn ligt de verantwoordelijkheid en de plicht voor het roepen van de WL bij de spelers zelf (wat consequenties voor de spelers inhoudt).
Ook dit heeft weer een gevolg. Doordat de verantwoordelijkheid voor het roepen van de WL bij de spelers ligt, moet de WL pas actie ondernemen als hij geroepen is. Zou de WL op eigen houtje, zonder geroepen te zijn, door hem zelf geconstateerde onregelmatigheden gaan afhandelen, dan zou de de uitslag van de wedstrijd mede gaan afhangen van de toevallige focus van de WL. Maar raakt de WL op de een of andere manier betrokken, dan verplichten de spelregels hem wel de onregelmatigheid te herstellen (zie (2017)-81C3, en tevens moet het principe verwoord onder 8. niet van toepassing zijn, want dan doet de WL niets meer).
Deze inzichten bestaan nog steeds. Zie art. 9B1a en art. 10A. Zie verder de hoofdstukken over de WL, protesten, en onderlinge verhouding organiserende instantie en WL.
1963 De NOP kan na een onregelmatigheid niet eerst doorbieden/doorspelen (en daarbij allerlei informatie over tafel laten gaan), om, nadat het vervolgens voor de NOP mis is gegaan, alsnog de WL te roepen en alsnog straf te vorderen voor de onregelmatigheid. Daarom geldt de regel:
8. Onderneemt de NOP actie na de onregelmatigheid en voordat de WL gezegd heeft wat er moest gebeuren, dan is de NOP het recht straf te vorderen kwijt, ergo: spelers moeten meteen roepen. Doen ze dat niet dan is het klaar en doet de WL niets meer.


Dit algemeen principe werd verwoord in art.11(1963).
Zie nu 16A1a. Verder staat het principe voor het spelen nog steeds in 60A(2017), en voor het bieden is het principe verplaatst naar de afzonderlijke biedartikelen: Ook nu staat in het algemeen de regel in art. 11A, maar dit principe wordt bij bieden en spelen bij de desbetreffende onregelmatigheid ook nog eens herhaald, zie bijv. voor wijzigen bieding zie 25B1, voor onvoldoende bod zie 27A1, voor 'voor de beurt bieden' (pas, doublet, redoublet, bod) zie 29A, voor een bieding na een ontoelaatbare bieding zie 36A (ontoelaatbaar doublet/redoublet), 37A (overtreding van de verplichting te passen), 38D voor een bieding na een bod van meer dan 7 trekken, 39B voor een bieding na de afsluitende pas. In het spelen ligt het iets ingewikkelder omdat er nu eenmaal de verplichting tot bekennen bestaat, maar daar heerst hetzelfde principe verwoord in 60A1.
Ook als er een ingetrokken handeling is (doordat de spelers aan tafel de onregelmatigheid zelf hebben opgelost), dan geldt 16C niet, want het was geen ingetrokken informatie conform de spelregels (want de WL was niet geroepen), en dus kunnen de NOP dan ook geen beroep op 16C doen.

Doorgaan na een onregelmatigheid betekent dat je de onregelmatigheid accepteert, en informatie die vrijkomt door een geaccepteerde onregelmatigheid is geoorloofd voor beide partijen (zie 16A1a).
1975 Het principe van 8. is in deze versie overal in de spelregels consequent doorgevoerd, òòk voor OI-overdracht door denkpauzes, opmerkingen, nodelooos gevraag, verkeerde uitleg en lichaamstaal. In zulke gevallen is er echter nog geen sprake van OI-gebruikmaking (en de eventuele OI-gebruikmaking is pas de eigenlijke overtreding. OI ontstaat onbedoeld en is slechts een onregelmatigheid, maar OI-gebruikmaking is in hoge mate strafbaar, zie 2.).
Men krijgt oog voor het uitlokken van onregelmatigheden.
9. Als men van de tegenpartij onjuiste informatie krijgt, dan worden acties gebaseerd op deze onjuiste informatie straffeloos en, daar waar het kan, teruggedraaid.
Voorbeeld: uitkomen van de verkeerde kant, zie artikel 47.
Na OI-overdracht wordt het bied- en speel-gedrag van de partner van de OI-gever onder een vergrootglas gelegd, want het is pas de eventuele gebruikmaking die de overtreding vormt, zie 73C1 en 16B1.
Uitkomst van de verkeerde kant op inlichting leider/blinde: 47E1
1987 De 1987-versie bracht een nieuwe procedure, een versoepeling t.a.v. dit soort OI-overdrachten. Omdat het pas de OI-gebruikmaking is die de overtreding vormt en de WL in geval van denkpauze, opmerkingen e.d. toch niets anders kan doen dan het bieden en spelen te laten voortgaan werd het volgende bedacht.
10. De wedstrijdleider hoeft in alle gevallen waarin er wel sprake is van (potentiële) OI-overdracht maar waar er toch geen directe rechtzettingsprocedure in de spelregels voor bestaat, niet direct geroepen te worden als beide partijen het er over eens zijn dat er OI-overdracht heeft plaatsgevonden.
De procedure werd in 1987-16A1 voor het eerst geïntroduceerd en is toen "rechten voorbehouden" gaan heten.
De procedure bestaat nog steeds (zie 2017-16B2).
De modernere aanpak is: beide partijen stellen samen vast dat die denkpauze er was of dat die opmerking gemaakt is en dat dat OI inhoudt zodat bij achteraf gevoelde benadeling dáár geen discussie over is. Men hoeft dus alleen de WL direct te roepen als er verschil van mening is over de feiten die hebben plaatsgevonden, en als daar geen verschil van mening over is, dan kan eventueel gevoeld nadeel alsnog achteraf gemeld worden.
1997 Geen belangrijk procedureel inzicht in deze versie toegevoegd; Wel wordt de regel 1987-11B voor het bieden verplaatst naar de afzonderlijke biedartikelen. Dit maakt het mogelijk een gevallen kaart en doorbieden omdat het niet meteen opgemerkt was, tòch via artikel 24 te behandelen. 2) -
2007 11. Informatie voortvloeiende uit geaccepteerde onregelmatigheden wordt expliciet benoemd tot GI (zie 2007-16A1a)
12. Wat schade is wordt geformuleerd in 2007-12B, d.w.z. dat de WL bij het vaststellen van een AS het verschil tussen subsequent en consequent moet inzien en meewegen.
Ook de volgorde van manier van vaststellen is hiermee vastgesteld: dat gaat in de volgorde van 12C: eerst probeert de WL een vervangende score vast te stellen, als dat niet lukt een gewogen score, en als dat ook niet lukt de kunstmatige score.
Is op zijn plaats gebleven, zie 2017-16A1a
2017 13. Met de definitie van wat een Logisch Alternatief (LA) is in 16B1a wordt de WL een handvat, een criterium gegeven om eventueel een AS vast te stellen. zie de combinatie van de definitie van Logisch Alternatief (16B1b), wat 'schade' in spelregelverband precies is (artikel 12B) en de afhandeling van schade in de volgorde van 12C: 12C1a, 12C1b, 12C1c, 12C1d, 12C1e. Steeds duidelijker gaat het bij AS-vaststelling om oorzaak en gevolg.

Er zijn meer algemene principes, maar met bovenstaande tabel is vooral de procedurele kant tegen het licht gehouden. Enkele andere principes zijn bijv.:

  • je mag geen spelregel overtreden omdat je weet dat de afhandeling je voordeel zal brengen, zie 72B. In eerdere versies (2007, 1997, 1987, 1975) stond dit in artikel 23. Maar dit principe is eigenlijk een extensie van inzicht 1. Overigens stond dit inzicht al in 1932 in de Spr. geformuleerd: zie (1932) punt 5. van TOEVOEGSEL AAN DE REGELS.
  • als de tegenpartij onregelmatig speelt en herstelt, mag jij ook een actie na de onregelmatigheid maar voor de arbiter heeft rechtgezet, herstellen
  • je mag de tegenpartij niet in verlegenheid brengen 74A2 en meer i.h.a.: goed sportmenship is de juiste houding.

1) Noot KAvdW: Het is dit inzicht dat meer onder de aandacht van clubbesturen, spelers en WL-'s gebracht zou moeten worden. Er moet aan spelers worden verteld dat hun resultaat beïnvloed wordt door de onregelmatigheidsafhandeling aan andere tafels, en dat hun score mogelijk vele procenten scheelt bij overal een juiste afhandeling. En als spelers het niet in (willen) zien of bagataliseren, moeten clubbesturen die boodschap aan spelers overdragen.

2) Noot KAvdW: Mogelijk houdt deze wijziging verband met het tonen van kaart(en) tijdens de biedperiode. Als een kaart tijdens de biedperiode wordt getoond en de volgende speler biedt, dan is met de oude formuleringen (zie 1963-11) de onregelmatigheid geaccepteerd, maar met formuleringen vanaf 1997 nog niet (1987-11B is in de 1997-11 immers verdwenen). Het laten vervallen van 1987-11B geeft de WL de mogelijkheid artikel 24 nog steeds toe te passen. Dat is op zich gewenst, want de biedactie van de bieder zal immers meestentijds niet beïnvloed zijn door de getoonde kaart(en) (de bieder verwacht ook geen dergelijke actie door een andere speler). Wat je als WL niet wil is dat spelers kaarten laten vallen vlak voordat een tegenstander biedt, en dat je dat dan straffeloos zou moeten verklaren. Je kan ook niet als criterium hanteren dat partner nog niet geboden moet hebben, want een snel denkende partner (die anders volgens artikel 24 vaak een verplichte 'pas' opgelegd zou krijgen) biedt meteen, en daarmee zou het met het criterium 'partner mag nog niet geboden hebben' ook over zijn.
Anderzijds, als iemand een kaart toont en terugstopt zonder dat iemand de WL roept, om vervolgens te wachten tot na het bieden, in die situatie lijkt me de kaart(en) (conform 16A1a) GI voor beide partijen geworden te zijn.
Een dilemma dus voor de spelregelmakers, tussen het enerzijds strikt hanteren van een heldere uniforme regel (1963-11), en anderzijds grotere nuance (maar tevens ook grotere onduidelijkheid door het ogenschijnlijk verlaten van de algemene regel. Als het gaat: kaart valt, iemand biedt, nog iemand biedt, 'WL' dan is het nog nèt 24, daarna is het 16A1a. Hoe formuleer je dat zodanig kort dat het nog wordt begrepen?

Opmerking: Bovenstaande inzichten hebben effect op het AAP. Behalve dat de WL als een goed onderzoeksjournalist steeds hoor en wederhoor moet toepassen, moet hij vanwege inzicht 8. voor onregelmatigheden in bieden en spelen altijd vragen of er na de onregelmatigheid nog acties hebben plaatsgevonden, en (mede) vanwege inzicht 9. de vraag "Wat bezielde je toen je de onregelmatigheid beging" stellen.

Geschiedenis van de Spelregels

(Zie hier wat Hans de Jager hierover geschreven heeft in diverse Wekowijzers.)

Kern van de Spelregels is (en dat is al vanaf het prille begin) dat het gebruikmaken van Ongeoorloofde Informatie (OI) ten strengste verboden is. En dat gaat ver in zijn uitwerking: je mag niet eens verdacht kunnen worden van OI-gebruik. (we vinden dat in de huidige Spr. terug in art.16B1(a))

De Spr. zijn er niet voor het bestraffen van oneerlijk spel. Dat zijn ze nooit geweest. Dergelijk gedrag wordt anno 2017 via 73B2 expliciet niet via de Spr. beoordeeld en 91B geeft de WL de eventuele mogelijkheid tot uitsluiting van een paar dat zijn heil zoekt in illegale communicatiemethoden.

Ter illustratie: dit is de strekking van de Spelregels van de 1932-versie. Als je die vergelijkt met de huidige versie, dan blijkt dat de essentie van de Strekking van de Spelregels niet is veranderd sinds 1932:

Strekking1932.png


De strekking van de Spr. van de 1932-versie is (m.i.) zelfs duidelijker qua normgeving dan de 2017-versie: “immers, de moreele verplichting om zich aan deze regels te houden is het sterkst, wanneer geen straf is voorgeschreven.”, ondanks dat in de 2017-versie deze norm zo expliciet mogelijk is gemaakt in andere artikelen (16B, 72B, 74C, 73B) ontbreekt in de 2017-versie deze invalshoek.

Wat is OI? Alles wat géén Geoorloofde Informatie (GI) is, is OI (Ongeoorloofde Informatie).

Wat anno 2017 GI is, staat in 16A:

  • de gedane biedingen (sec, dus niet de manier waarop, of eventuele begeleidende opmerkingen of lichaamstaal van partner)
  • de gespeelde kaarten (sec, dus niet de manier waarop, of eventuele begeleidende opmerkingen of lichaamstaal van partner)
  • informatie voortvloeiende uit ingetrokken handelingen zijn voor de niet-overtredende partij GI
  • informatie die voortvloeit uit geaccepteerde onregelmatigheden
  • i.h.a. voor alle info die je krijgt of verkrijgt van of door tegenpartij (SK, uitleg, maar ook hun gedrag – is voor hun OI, maar voor jou GI - de interpretatie van hun gedrag is wel voor je eigen risico, zie art. 73D1, maar als dat gedrag 100% iets suggereert komt er toch een AS, zie art. 73E.)
  • alles wat je al wist voor het spel begon, bijv. kennis over eigen systeem, stand in de wedstrijd (maar zie uitzondering 16D1 over per ongeluk opgevangen info over het te spelen spel).

OI ontstaat per ongeluk of onbedoeld, bijv. gelaatsuitdrukkingen of lichaamshouding of als grappig bedoelde opmerking, of denkpauzes na een onverwachte actie. In feite gaat er vrijwel geen spel zonder enige vorm van OI voorbij. Op zich is dat vaak niet eens erg, het is pas de gebruikmaking door partner die een overtreding van de Spr. oplevert.

De vaak als tweede pijler van de Spr. beschreven is wat we nu noemen het Full-disclosure-principe. Full-disclosure is het vooraf (op tijd) en zonder terughouding volledig bekend maken wat biedingen betekenen. Deze tweede pijler vloeit echter rechtstreeks voort uit de eerste, de kern van de spelregels. Om dit te begrijpen moet je je voorstellen voor welk vraag de eerste spelregelmakers zich gesteld zagen:

Is informatie die voortvloeit uit conventiegebruik nu wel of niet geoorloofd?”.

Besloten werd dat informatie die voortvloeit uit conventiegebruik geoorloofd was, onder het voorbehoud dat men voorafgaand aan het spelen de tegenstander de conventie middels een pre-alert moest uitleggen.

Het vooraf uitleggen van de bijzonderheden van je systeem noemen we ook tegenwoordig nog pre-alert en is nog steeds verplicht bij “grote” afwijkingen van wat gangbaar is (zie ook toelichting alerteerregeling en WRNBB art.6.3). Aanvullend bestaat er de systeemkaart (SK) - zie ook WRNBB art. 6.1.

De gemaakte keuzes van de spelregelmakers van destijds zijn volstrekt logisch. Door de pre-alert-verplichting kon achteraf vastgesteld worden dat er gèèn gebruik gemaakt was van OI maar van info voortvloeiend uit een conventie, en hierdoor konden conventies toch worden toegestaan. Het toestaan van conventies was onvermijdelijk. Het informatiedoublet was vanaf het prille begin al in brede kring gangbaar, en wanneer is bijv. een openingsbod van 2 nu conventioneel, was dat wanneer je volgens Culbertson speelde (dan is het MF-sterk) of wanneer je volgens Schenken speelde (zwak)? Men zag dus in dat je afspraken/conventies niet kunt verbieden, maar uit de afspraken afgeleide informatie moest voor beide partijen toegankelijk zijn omdat anders niet bepaald kan worden of er gebruik gemaakt zou kunnen zijn van OI.

Chronologisch overzicht geschiedenis Spelregels (vanuit Nederlands perspectief)

(Zie hier wat Hans de Jager hierover geschreven heeft in diverse Wekowijzers.)

22-11-1930 Oprichtingsdatum NBB. De eerste bondswedstrijdleider Borèl vindt wedstrijdvorm “Paren” (eigenlijk de parentelling) uit en organiseert het eerste NK op 7-2-1931 te Scheveningen (waarbij het "schevenings principe" werd uitgevonden: de spellen bleven op tafel liggen. Overigens was dit ingegeven door de portemonnee, men wilde geen jongeren betalen om de spellen te wisselen). Gekozen wordt voor de bridgespelregels van de Engelse Portland Club. Deze waren echter vooral geënt op wedstrijdvorm robberbridge. Bij robberbridge is er weinig tot geen drang om een score te bepalen die het spel(resultaat) ondanks de onregelmatigheid, vergelijkbaar maakt, juist omdat er niet vergeleken hoeft te worden.

Naast discussies over zaken als over hoe de kwetsbaarheid geregeld moest worden (men was Robberbridge gewend) waren er in het bridgeblad veel discussies over conventies en psyches (die toen vaak op één hoop werden gegooid).

1932: Eerste Internationale NBB-versie spelregels. Pre-alert wordt verplicht gesteld.

1936: Tweede Internationale Spelregels (Onderschreven en geadopteerd door Portland Club, Whist Club (New York), La commission Francaise du Bridge (Parijs) en de Internationale Bridge League IBL). De IBL was een samenwerkingsverband van voornamelijk Europese bridgebonden. Pre-alert en vraagrecht (impliciet) opgenomen in Spr.

1938: De STOP-regel wordt in Amerika bedacht door Sam Fry Jr.

1949: Derde versie Internationale Spelregels (ondersteunende organisaties: Portland Club, Europese Bridge League EBL (voorheen IBL), Laws Comittee ACBL – de American Contract Bridge League). Het vraagrecht wordt vastgelegd (bij arbitrages moest partner van tafel).

1957: De STOP-regel wordt door de ACBL geadopteerd en in hun (aanvullende) regelgeving overgenomen.

1959: De NBB brengt in een 2e, herziene druk, een "nieuwe" versie van de spelregels van 1949 uit (vermoedelijke reden: de boekjes waren op). Abusievelijk worden daarbij de hoofdstukken over de wedstrijdleider en protesten buiten werking gesteld. Deze spelregel"versie" was niet bekrachtigd door Portland Club, EBL en LC-ACBL. Toch in deze lijst opgenomen, omdat we de spelregels bekijken vanuit Nederlands perspectief.

1963: Oprichting WBF. Het agglomeraat van de Portland Club, EBL en LC-ACBL verzorgt voor de laatste maal een nieuwe versie van de spelregels. Deze versie wordt onverkort door de WBF overgenomen, waarna het eigendomsrecht van het spelregels (en daarmee het spelregel-onderhoud en -beheer) wordt toegewezen aan de Law-Committee van de WBF (LC), alles bekrachtigd ook door Portland Club, EBL, en ACBL.

1974: De Nederlander Hans de Jager standaardiseert de SysteemKaart (SK) op dusdanige wijze dat de SK nu overal gebruikt kan worden en dat een ieder (indien de SK juist is ingevuld) snel kan vinden wat hij (M/V) zoekt.

1975: 5e versie Spr.. Tevens de eerste versie onder auspiciën van de LC-WBF.

Halverwege de 70-er jaren: De STOP-regel raakt ook aan deze kant van het water populair onder wedstrijdspelers. Het is gebruikelijk om, als je het toepast, dit op je SK te vermelden (of anders bij een pre-alert). De 1975-versie bevat een verwijzing naar de STOP-regel bij de "Regels van Ethiek".

Ca. 1980: In Engeland wordt het alerteren uitgevonden. Velen begrijpen het doel van het alerteren niet, maar met een alert nodig je de tegenpartij uit om naar de betekenis te vragen. Het vraagrecht werd namelijk misbruikt door selectief gebruik. Als je de ene keer WEL vraagt naar de betekenis van een 1♣-bod, en een andere keer NIET, dan draag je daarmee OI over. Daarom, als je tegenpartij alerteert, is het het beste om ALTIJD naar de betekenis te vragen. Dan handel je in de geest van de gedachte achter de alerteerregeling en wordt OI op zijn minst 'verduisterd'. Vraag je de ene keer wel, en de andere keer niet, dan schiet de regeling zijn doel voorbij.

Ca. 1982: De bidding-box doet zijn intrede en wordt meteen massaal gebruikt.

1982: De NBB brengt een 2e herziene versie uit van de 1975-versie.

1987: 6e versie Spr.. Alerteren wordt opgenomen in de Spr. Tevens wordt aan de nederlandse versie van de Spr. een trefwoordenregister toegvoegd; in alle latere nederlandse versies wordt dit trefwoordenregister gehandhaafd.

1997: 7e versie Spr.. De STOP-regel komt in de Spr. terecht. Ook wordt het biddingbox-reglement opgenomen in de Spr. In alle latere versies van de Spr. wordt de opname van het biddingbox-reglement in de Spr. gehandhaafd.

2001: Stepbridge wordt opgericht.

2007: 8e versie Spr..

2017: 9e versie Spr..

T.a.v. al deze wijzigingen

Full-disclosure en Active-ethics is de enige houding die in overeenstemming is met de Spelregels. Het proberen te verbergen van je afspraken (of er niet volledig open over zijn) gaat volledig in tegen de geest van de Spelregels (en leidt dus tot overtredingen, want de eventuele ‘extra’ informatie die je je op die manier verwerft t.o.v. je tegenstanders is feitelijk OI geworden).

Om conventies/afspraken bekend te maken heb je tot je beschikking:

Niet alle afspraken/conventies zijn altijd toegestaan en voor sommige geldt een speciale behandeling (zie [BSC-regeling 2017]).
Te verwachten valt dat deze regelgeving steeds verder in de Spr. beklonken zal raken.

Voor OI-overdracht voor de meest voorkomende 'mechanische' onregelmatigheden (bijv. gevallen kaart, bod voor de beurt, onvoldoende bod etc.) zijn in de loop der tijd standaardprocedures ontwikkeld ten einde het uiteindelijke spelresultaat zo eerlijk mogelijk vergelijkbaar te houden met de andere spelresultaten. De ontwikkeling is dat dit in de Spr. steeds verder aangescherpt zal worden. Omdat de WL dan meteen een (beschreven) rechtzettingsprocedure kan uitvoeren, is bepaald dat de WL dan ook meteen geroepen moet worden. Doet de NOP dat in die gevallen niet, dan doet de WL er achteraf niets meer aan. Dan had je de WL maar op tijd moeten roepen, want die staat op zijn beurt niet toe dat jij eerst allerlei informatie over tafel laat gaan, om, nadat het is misgegaan, je te beklagen over een eerdere onregelmatigheid van de tegenpartij.

Voor OI-overdracht waarvoor geen directe rechtzettingsprocedure is, geldt primair dat partijen het met elkaar eens moeten zijn over de feiten. Zijn partijen het niet met elkaar eens, dan moet weer de WL meteen geroepen worden. Zijn ze dat wel èn de NOP denkt achteraf benadeeld te zijn, dan kan de WL (als hij het met de aangedragen redeneringen i.c.m. de feiten eens is) eventueel een AS vaststellen.

Belangrijk voor het spel is de kleine, maar merkbare aarzeling die OI overdraagt. Michael Rosenberg heeft daar een prangend stuk over geschreven: Bestand:Ethics for experts.pdf.

Er is een groeiend en voortschrijdend inzicht ten aanzien van vergelijkbaarheid van spelresultaten na een onregelmatigheid. Daarom worden eens in de 10 jaar de Spelregels gewijzigd, wat een procedure is die bij oprichting van de WBF in 1963 al is afgesproken. Sindsdien zijn er ook vindingen gedaan die de spelregels gewijzigd hebben. Te denken valt daarbij aan de standaardisatie van de SK, de uitvindingen alerteren, biddingbox en STOP-regel.

Voor elke spelregelwijziging geldt: op het moment dat je een beschreven rechtzetting voor een onregelmatigheid hebt, dan moet je de rechtzettingsregels zeer precies, d.w.z. naar de letter, volgen. Dat is de enige manier om te waarborgen dat iedereen in gelijke situaties gelijkberechtigd worden; dat is de grondslag van alle wetgeving.

Dàt iedereen in gelijke situaties gelijk behandeld worden zit diep verankerd in ons als zoogdieren en wellicht zelfs in alle leven:

Binnen de spelregels zijn er nieuwe inzichten gekomen. Zo is bijv. het artikel “Wijzigen bieding” de laatste 3 versies van de Spelregels steeds tamelijk ingrijpend gewijzigd.
Maar ook al wordt zo’n artikel (mogelijk ingrijpend) gewijzigd, nà de wijziging moet het artikel in zijn nieuwe gedaante wel weer precies, d.w.z. naar de letter, worden toegepast (anders worden de apen kwaad).

En om ervoor te zorgen dat de Spr. naar de letter worden toegepast, is er behoefte aan een onafhankelijke instantie (de wedstrijdleider). Dàt inzicht is er al in de 1949-versie bijgekomen. En die WL dient (uiteraard) op de hoogte te zijn van de vigerende versie.

Logica van de Spelregels

De eerste zin van de strekking geeft veel aan: “De spelregels zijn ontworpen om de juiste gang van zaken vast te leggen en een passende regeling vast te stellen, nadat van de juiste gang van zaken is afgeweken.”.

De consequentie van de eerste zin is dat eerst vastgelegd moet worden wat de juiste gang van zaken is. Pas daarna kan die passende regeling (waarop wordt geduid in de tweede zin) worden verwoord.

Dat betekent dat telkens dus eerst de “normale” situatie moet worden beschreven, en pas daarna komen de afwijkingen en verbijzonderingen. Dat is de opbouw van het spelregelboekje en die opbouw komt steeds terug en zit verweven in de hoofdstukindeling van het boekje, in de indeling van de delen van de hoofdstukken, in de indeling van de artikelen en zelfs in de indeling van de sub-artikelen.

Neem Hoofdstuk III en Hoofdstuk IV. In Hoofdstuk III wordt in het algemeen beschreven hoe een wedstrijd “normaal” verloopt. In Hoofdstuk IV staat wat er in het algemeen moet gebeuren indien een onregelmatigheid plaatsvindt.

Ook binnen een Hoofdstuk vinden we die opbouw terug. Hoofdstuk V beschrijft het bieden en bestaat uit 2 delen. Deel I is weer de beschrijving van hoe het hoort (art. 17 t/m 23) en deel II behandelt weer de onregelmatigheden (art 24 t/m 40).

Ook binnen een artikel vinden we die opbouw steeds terug. Neem bijv. art.72: In 72A wordt de winstwil van deelnemers normaal geacht, in 72B wordt gesteld dat je daarvoor de spelregels niet mag overtreden en in 72C wordt de WL in staat gesteld op te treden indien 72B toch is overtreden.

Of neem art. 16. In 16A staat welke info je wèl mag gebruiken, in 16B/16C/16D welke info niet en en binnen de genummerde subartikelen wordt gezegd wat er daarna moet gebeuren als de info toch gebruikt is.

Of neem art 12. In 12A wordt de ‘normale’ situatie beschreven waarbinnen de WL een AS kan toekennen. In 12B wordt beschreven wat daar buiten valt. In 12C wordt beschreven hoe je de AS vaststelt.

Ook binnen subartikelen komt de indeling terug. Eenmaal aangeland bij 12C1 is 12C1(a) weer de ‘normale’ situatie. Vervolgens wordt de volgorde geschetst: 12C1(b): het waarschijnlijke resultaat zonder overtreding, als dat niet lukt: 12C1(c): gewogen gemiddelde, als dat ook niet lukt: 12C1(d): kunstmatig. In 12C1(e) wordt de uitzondering/verbijzondering beschreven: er moet wel een verband zijn tussen overtreding en slechte score niet-overtredende partij.

Als je deze opbouw kent kan je aanwijzen waar iets staat (of zou moeten staan). Nog niet zo lang geleden beweerde iemand aan mijn tafel dat het verplicht was bij het schudden de stapeltjes vanaf de dealer in volgorde volgens met de klok mee in het board gestoken moet worden. Hoe controleer je nu zo'n bewering? Door na te gaan waar dat zou moeten staan en [antwoord] in 6B staat deze verplichting niet. Dat neemt niet weg dat een aanvullend clubreglement zulks wel zou kunnen verplichten, maar in de Spr. staat het niet.

Of iemand beweert dat het verplicht is de kaarten te tellen als je ze terugsteekt in het bord. Dat is terug te vinden in 7C, waarin staat dat de oorspronkelijke 13 kaarten moeten worden teruggestopt. Dat is een veel nauwkeurigere formulering dan tellen van kaarten: dat impliceert dat je je van vergewist en kijkt of die 13 jouw kaarten waren!

Kennis over de opbouw van de Spr. helpt!

Kritiek op de spelregels?

Zodra je besluit een spelregelartikel nauwkeuriger te formuleren omdat de oude formulering op de een of andere manier niet voldoet, dan is je nieuwe formulering vermoedelijk wel fijnmaziger geworden, maar nog steeds niet waterdicht zodat iemand die kwaad wil, er nog steeds gaten in kan ontdekken. En zeer waarschijnlijk moet je in je nieuwe formulering méér woorden gebruiken om de gewenste betekenis beter te verwoorden.

De Spr. zijn in de loop der jaren fijnmaziger geworden, en vereisen uit dien hoofde vaak ook meer woorden, ook al is uit alle macht geprobeerd elk overbodig woord weg te laten.

De kritiek die herhaaldelijk te horen is, is dat de Spr. te ingewikkeld zijn, dat "ze" het te moeilijk hebben gemaakt en dat "het" allemaal veel eenvoudiger kan, dat er "eenvoudige" Spr. voor clubs moeten komen, is te weerleggen met een eenvoudig: "Ga je gang. Dit zijn de huidige Spr. Ga maar knippen.". Want dan blijkt dat de Spr. al geminimaliseeerd zijn verwoord.

Ook als je sluitende definities voor de begrippen "Full-disclosure" en "Active-ethics" zou kunnen formuleren, dan kom je daar waarschijnlijk verder mee dan met de huidige artikelen 20 en 75, maar of de Spr. daarmee dan "eenvoudiger" zullen worden, valt naarstig te betwijfelen.

Wie dus kritiek op de Spr. in die richting wil uiten, of zoiets als zelf "ClubSpelregels" maken, dient zich echt eerst rekenschap te geven van bovenstaande alinea's.